Verwachting van een nieuw begin

Preek op zondag 28 november 2010 in De Bron na lezing van Jesaja 64:1-5a en Matteus 24:29-44
door ds B.A.Venemans

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
op deze eerste zondag van de Advent begint een nieuw kerkelijk jaar, waarin we volgens het rooster niet meer het evangelie naar Lukas lezen, maar dat naar Matteus. Vandaag hebben we het slot gehoord van de rede van Jezus over de laatste dingen, die we vorige week uit Lukas lazen. Toen ging het over de Voleinding. Maar nu lezen wij het in de Advent, waarin wij de geboorte van de Messias verwachten. Dan gaat het over iets nieuws dat God gaat beginnen. Gaat het nu vandaag over het einde of over dit nieuwe begin?

Dat is geen tegenstelling. Het nieuwe dat God gaat beginnen, betekent het einde van al het oude, dat in tegenspraak is met Gods heil voor ons. Wanneer gebeurt dit dan, aan het einde der tijden of middenin de tijd, in de geboorte van Jezus? Misschien moeten we het anders zeggen. Deze rede over de laatste dingen spreekt Jezus uit, net voordat zijn lijden begint, dat uitloopt op zijn dood en opstanding. Hij maakt daarin voor ons een einde aan een leven in schuld en angst, en tegelijk maakt Hij het nieuwe begin van een leven in vrijheid en vreugde, dat God in zijn genade ons gunt. Dat is het nieuwe dat God tot stand brengt in deze wereld en in ons leven. Dat geloven en vieren wij met Pasen, maar in het leven van alledag zien en ervaren we het nog niet. Dat zal pas gebeuren als de Heer komt om te voleindigen wat met Pasen is geschied. Dat wij daarop hopen en dat verwachten, dat begint in de Advent, waarin we ons voorbereiden op de geboorte van de Messias, die in onze wereld komt om dit alles tot stand te brengen. In het licht van Pasen horen het einde en het begin van het kerkelijk jaar, de Voleinding en de Advent, bij elkaar.

Als we dieper ingaan op wat Jezus in het gelezen gedeelte van zijn rede zegt, moeten we proberen niet alleen aan het einde te denken, maar vooral aan het nieuwe begin dat Hij ons aankondigt. Jezus spreekt eerst over de verduistering van zon en maan. Daarbij gaat het niet om een grote catastrofe die het einde van de wereld inluidt. Het is een citaat uit Jesaja 13, waar de profeet Gods oordeel aankondigt over Babel. God zal de macht van dit wereldrijk breken om zijn volk uit de ballingschap terug te voeren naar het land van belofte. Vervolgens citeert Jezus het boek Daniel, waar gesproken wordt over de komst van de Mensenzoon op de wolken met grote macht en heerlijkheid. Daniel zag in een visioen hoe de vier wereldrijken instorten, als God aan deze Mensenzoon eeuwige heerschappij en koninklijke macht zal geven. En Jezus zegt over de Mensenzoon, dat hij zijn engelen zal uitzenden en zijn uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken, van het ene uiterste van de hemelen tot het andere. Bij de uitverkorenen moeten we niet denken aan een klein groepje, dat door God van eeuwigheid her zou zijn uitverkoren, terwijl de rest verloren zou moeten gaan. Nee, het gaat hier om alle mensen die God in zijn liefde op het oog heeft. Het zijn de mensen, over wie de engel in de Kerstnacht zal zeggen: Zie, ik verkondig u grote blijdschap, die heel het volk zal ten deel vallen: u is heden de Heiland geboren. En in het lied van de engelen: Ere zij God in de hoge en vrede op aarde voor mensen van zijn welbehagen. De Mensenzoon komt om vrede te brengen op deze door oorlogen en geweld geteisterde aarde, en vreugde en vrijheid voor mensen in angst en nood. Dit nieuwe begin betekent meteen ook onherroepelijk het einde van alle gewelddadige machten, die zoveel leed veroorzaken. Dit einde kan ons dan ook geen angst inboezemen. Het brengt ons juist vreugde: eindelijk vrede!

Dat is ook de les die wij van de vijgenboom kunnen leren. Als we de kale takken zien, kunnen we denken: het is winter geworden, aan alles wat groeit en bloeit is een einde gekomen. Maar als we goed kijken, zien we aan de kale takken al de knoppen van de nieuwe bladeren. We beseffen: het begint opnieuw, het wordt zomer, ook al kan dat nog even duren. Misschien moeten we dit beeld nog scherper uitleggen. De nieuwe knoppen vormen zich al in het najaar en zij zorgen ervoor dat de oude bladeren afvallen om de ruimte te krijgen om uit te botten in de lente. Dus juist het nieuwe begin brengt het einde tot stand.

Daarom hoeven wij ook niet met angst en beven de toekomst tegemoet te zien, ook al geven de gebeurtenissen in de wereld daar alle aanleiding toe. Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan, zegt Jezus. Het is het woord van Gods menslievendheid en trouw, dat Hij niet alleen verkondigt, maar ook belichaamt. Want in Hem is het woord van Gods genade vlees geworden. In zijn dood en opstanding brengt Hij verzoening tot stand en richt Hij ons op uit schuld en angst, en tegelijk ook maakt Hij een einde aan alle nood en aan de macht van de dood. Dat is met Pasen geschied.
Dat mogen wij geloven, dat mogen wij vieren, tegen alle onrust en wanhoop in om de schrikbarende toestand van de wereld en ook om wat wij zelf doen en meemaken in ons leven. We mogen dit geloven en vieren, ja, maar de vraag blijft: wanneer zullen we dit zien, wanneer het ook echt ervaren? Van deze dag of dit uur weet niemand, ook de engelen in de hemel niet, ook de Zoon niet, maar de Vader alleen, zegt Jezus. Maar dit ene staat vast: deze dag zal aanbreken, hoe dan ook. Deze dag en dit uur verwachten wij. In de Advent oefenen wij ons om te leven in deze verwachting. Wachtend op de geboorte van Jezus, zien wij met reikhalzend verlangen uit naar Gods licht dat de duisternis zal openbreken en verdrijven. Wij hopen en verwachten dat God zelf in deze wereld komt om alles ten goede te keren en ons een nieuw begin te geven door een einde te maken aan al wat in strijd is met zijn heilswil.

Jezus wijst op de tijd van Noach, toen de grote vloed een einde maakte aan een cultuur, waarin God niet geëerd en de naaste niet geacht werd. Ook toen ging het niet om het einde op zichzelf, maar om een nieuw begin van de schepping. In die dagen leefde men etende en drinkende, huwende en ten huwelijk gevende. Men leefde zonder acht te slaan op wat er allemaal verkeerd was in de samenleving. Zoals toen de zondvloed de wereld reinigde van onmenselijkheid, zo zal de komst van de Zoon des mensen dat ook doen. Er zullen dan twee in het veld zijn en twee vrouwen zullen aan het malen zijn met de molen. De eerste twee zijn bezig met het oogsten van graan en de twee vrouwen vermalen dit graan tot meel. Zij zijn dus druk bezig met de zorg voor het dagelijks brood, dat nodig is om te kunnen bestaan. Ja, ook wij doen dat. We eten en drinken, huwen en geven ten huwelijk. En dat mag. Het is goed je verantwoordelijk te weten voor het leven. Maar we horen ook dat van de twee de een aanvaard en de ander afgewezen zal worden. Want het is niet goed je leven te laten opgaan in deze zorg voor het bestaan, alsof dat het enige is dat telt. Wij hoeven ons niet bezorgd te maken over wat wij zullen eten of drinken, of waarmee wij ons zullen kleden. Als wij eerst Gods Koninkrijk zoeken en zijn gerechtigheid, zal dit alles ons bovendien geschonken worden, zegt Jezus in de Bergrede.

Dit alles van God verwachten vraagt om waakzaamheid. Waken is wakker blijven, je ogen open houden en goed kijken. Niet bezorgd zijn om je eigen leven, maar er rekening mee houden dat God voor ons allen zorgt. Niet alleen de kale takken zien, maar ook letten op de knoppen die op uitbotten staan. Niet angstig en onrustig worden omdat we alles ten einde zien gaan, maar hoop en kracht putten uit het nieuwe begin dat God met ons zal maken. En dan ook niet berusten in wat allemaal verkeerd is in ons eigen leven en in de samenleving hier en elders, maar er aan werken om het anders en beter te doen, omdat God het in zijn liefde voor ons het allemaal anders en beter wil.

Tot deze actieve waakzaamheid roept Jezus ons op in een kleine gelijkenis aan het einde van onze lezing. Als de huisheer had geweten wanneer de dief zou komen, zou hij gewaakt hebben en niet in zijn huis hebben laten inbreken. Ook Paulus zegt in een van zijn brieven, dat de dag van de Heer komt als een dief in de nacht. Deze vergelijking is niet bedoeld om bij ons gevoelens van onveiligheid aan te wakkeren. De pointe van deze gelijkenis is volgens Jezus dat wij ten allen tijde bereid moeten zijn om de Zoon des mensen te verwelkomen. De vraag is: zijn wij bereid? Gaan wij onze eigen weg of bereiden wij de weg van de Heer? Laten we ons verlammen door het einde dat we vrezen, of laten we ons bemoedigen door het nieuwe begin dat het einde inluidt? Dat zijn de vragen die ons op deze eerste zondag van de Advent worden gesteld. De Heer verwachten is waakzaam blijven en ons voorbereiden op zijn komst. Dan zal het feest aanbreken, het grote feest van Gods liefde voor alle mensen, zoals die gestalte krijgt in Christus Jezus, onze Heer. Amen.