De wijzen en de dwaasheid
Preek op zondag 2 januari 2011
in De Bron na lezing van Jesaja 60:1-6 en Matteus 2:1-12
door ds B.A.Venemans
Gemeente van onze Heer Jezus
Christus,
in kerststalletjes zie je meestal naast de herders ook drie koningen. In de
traditie worden ze bij elkaar gebracht, de herders uit Lukas 2 en de wijzen uit
Matteus 2. Maar elk verhaal heeft zijn eigen, specifieke verkondiging. Lukas
schrijft zijn evangelie voor de Griek Teofilus, die te horen krijgt dat de
beslissingen in de wereldgeschiedenis niet in Rome vallen, maar in het
geschieden van Gods Woord in Israël. In zijn verhaal speelt daarom de grote
keizer Augustus maar een bijrol. Het zijn herders, uit de sociaal laagste
klasse, die als eersten te horen krijgen dat de Zoon van David, de Herder-Koning
is geboren. Matteus schrijft zijn evangelie voor joodse oren. Dat Jezus'
geboorte van wereldwijde betekenis is, maakt hij duidelijk door de wijzen uit
het Oosten als eersten het Kind te laten aanbidden. En daarbij spelen nu juist
de godsdienstige leiders van Israël een bijrol. Voor beiden, Lukas en Matteus,
geldt dat door de geboorte van dit Kind de rollen worden omgekeerd. De laatsten
worden de eersten. Simpele herders komen voor de keizer van het wereldrijk, en
de vromen in Israël worden door heidense wijzen gepasseerd.
De wijzen komen uit het Oosten. Het zijn ongetwijfeld astrologen. Hun wijsheid is gebaseerd op hun studie van de loop van sterren en planeten en de invloed ervan op de levensloop van mensen. Wetmatigheid in het heelal zou de wetmatigheden in het menselijk leven op aarde bepalen. Dat is hun wijsheid. Dan zien zij opeens die ene ster, die niet past in de hun bekende sterrenbeelden en die hun geloof in de wetmatigheid van het al doorbreekt. Zij gaan op weg, weg uit hun astrologische wijsheid. Zoals eens Abraham op weg is gegaan uit het Oosten naar het land dat God hem liet zien, zo gaan ook zij op weg. Die ene ster is voor hen het teken dat een andere God de Koning van het al is dan de goden die zij kennen. Zij komen in Jeruzalem, op zoek naar de Koning die geboren is, want zij hebben zijn ster in het Oosten gezien. Ze doen navraag bij koning Herodes, maar die weet van niets. Hij roept de overpriesters en schriftgeleerden bijeen. En inderdaad, zij kennen God als Koning van het al, zij kennen de Schriften die van Hem getuigen. Als God een nieuwe koning geboren laat worden, dan moet dat wel in Betlehem zijn, de stad van David, want aldus luidt de profetie van Micha. Zo helpen zij de wijzen verder op weg.
Die ene ster heeft hen in beweging gebracht, maar dat is niet voldoende. Christus wordt niet in de sterren gevonden, maar in de Schrift. De vraag van de wijzen, waarop zij in hun eigen sterrenwijsheid geen antwoord weten, kan alleen Israël beantwoorden, want als Gods volk is het zijn getuige in de volkerenwereld. De religieuze leiders hebben dus een woord voor de wereld, of beter gezegd: zij menen het ter beschikking te hebben. Zij kunnen precies vertellen wat in de Schrift staat, maar ze horen het zelf niet meer als het Woord dat ook tot hen is gericht. Zij weten het antwoord dat de wijzen zoeken, maar uit niets blijkt dat zij ook zelf op weg gaan. Dat de ster van de wijzen ook voor hen het teken is dat hun nacht moet wijken voor het licht van Gods koninklijke heerschappij, daar hebben ze geen oog voor, tevreden als ze zijn met hun eigen vroomheid en schriftkennis. Zij helpen de wijzen op weg maar komen zelf niet in beweging.
Nee, dan Herodes, hij roept heimelijk de wijzen bij zich en vraagt hen nauwkeurig onderzoek te doen, opdat ook hij dit Koningskind kan aanbidden. Wij weten wat zijn bedoeling is. Hij neemt het bericht van de wijzen serieus, omdat hij er een bedreiging in ziet voor zijn eigen koninklijke macht, en terecht. Hij zal trachten dit Kind uit de weg te ruimen door alle kinderen in Betlehem te doden. Hoe gruwelijk ook, hij beseft in elk geval beter dan de religieuze leiders, dat in Betlehem iets is gebeurd met verstrekkende betekenis. Hij is wijzer dan die dwazen voor wie de profetie een dode letter blijft, maar zijn dwaasheid is dat hij datgene waarover de profeet spreekt, meent te kunnen verhinderen, in plaats van zich erdoor te laten gezeggen.
De wijzen die door die ene ster begrijpen dat hun eigen sterrenwijsheid dwaasheid is, komen op zoek naar het nieuwe Koningskind in Jeruzalem, de stad waar volgens de profeet Jesaja het licht van Gods heerlijkheid verschijnt en waarheen volkeren en koningen optrekken. De wijzen treffen in Jeruzalem enkel dwaasheid aan, de dwaasheid van een zelfgenoegzame orthodoxie, die meer vertrouwt op eigen vroomheid en op kennis van Schrift en traditie dan op het levende, steeds nieuwe Woord, dat God tot hen en anderen spreekt en doet; en de nog steeds actuele dwaasheid van de machthebber die bang is om iets van zijn macht te moeten afstaan ter wille van het menselijk welzijn.
De wijzen laten zich door deze dwaasheid niet van de wijs brengen. Zij zetten hun tocht voort, alleen. Niemand uit Jeruzalem gaat mee. Zullen zij het Koningskind kunnen vinden? Zie, daar is de ster, die zij in het Oosten hadden gezien. Deze ster wijst hun de weg, nu de menselijke getuigen van God het laten afweten. Een vreemde ster, nietwaar, astrologisch en zeker astronomisch gezien. Een ster die over een afstand van een kilometer of tien de weg wijst en precies de plaats aanwijst, de stal waar een kind is geboren. Maar het is ook geen gewone ster. Deze ster is het teken dat in de Messias van Israël het licht van Gods heerlijkheid opgaat over alle volkeren, het licht van zijn Koninkrijk van vrede en recht voor allen die in de duisternis leven van geweld en onrecht (u kent de beelden), van berusting in de wetmatigheden in het wereldgebeuren (het gevoel: we kunnen er toch niets tegen doen) en van de dodelijke zelfgenoegzaamheid (ze moeten hun eigen boontjes maar doppen, dat doen wij toch ook).
De wijzen uit het Oosten hebben deze ster gezien, een nieuwe bron van hoop, en zij zijn op weg gegaan en hebben het oude vertrouwde achter zich gelaten. Zij hebben zich door de Schrift van Israël laten gezeggen en zijn naar Betlehem gegaan om het Koningskind hun hulde te bewijzen. Heidense sterrenwichelaars zijn in het evangelie naar Matteus de eersten die dat doen. De laatsten worden de eersten. De wijzen zijn de eersten die het Kind aanbidden en daarin gaan zij anderen voor. Alleen Herodes, die heeft gevraagd: bericht het mij, opdat ook ik Hem hulde ga bewijzen, laten zij, in een droom gewaarschuwd, links liggen. Zijn bedoeling is immers het Kind te doden. Dit zal ook gebeuren, maar niet nu en niet heimelijk, maar later in alle openbaarheid, als Hij door ons allen gekruisigd wordt en door God wordt opgewekt uit de dood, opdat wij met Hem en in Hem het leven vinden. Matteus zinspeelt hier in het begin, in de ongezeglijkheid van vromen en in het doodsgeweld van Herodes, al op het verhaal van Jezus' dood en opstanding. En van de opdracht van de opgestane Heer: gaat heen, maak alle volken tot mijn leerlingen, zien we hier in het begin al het resultaat.
De heidense wijzen hebben in dit
Kind het licht van Gods heerlijkheid gezien. Zij gaan nu Gods volk voor, zij
wijzen hun de weg naar het Kind in Betlehem, in wie de God van Israël zijn
heerlijkheid openbaart tot heil van gelovigen en ongelovigen, twijfelaars en
moedelozen, rusteloze zoekers en zelfgenoegzame vromen. Laten ook wij nu op weg
gaan, weg uit alle eigen wijsheid, weg uit de wetmatigheid die ook ons leven zo
vaak kenmerkt, weg uit de berusting dat er toch niets zal veranderen. Laten we
onderweg steeds halt houden in Jeruzalem om ons door de Schrift te laten
onderrichten over de bestemming van onze reis, zonder te vervallen in de dwaze
zelfgenoegzaamheid, waarin wij de Schrift wel kennen, maar ons er niet door
laten gezeggen. Laten we, met alles wat we doen, dit Koningskind hulde bewijzen.
Wij hebben zijn ster gezien, de morgenster die aankondigt dat ook de nacht van
onze traagheid ten einde is en de nieuwe dag aanbreekt, waarin wij samen met
alle mensen mogen leven in het licht van Gods heerlijkheid, dat ons in dit Kind
is verschenen.
Amen.