Bent U het die komen zou?
Preek op zondag 12 december
2010 in De Bron na lezing van Jesaja 61:1-3 en Matteus 11:2-11
door ds B.A.Venemans
Gemeente van onze Heer Jezus
Christus,
bent U het die komen zou of hebben wij een ander te verwachten? Deze vraag van
Johannes de Doper hebben ook wij te stellen in de Adventstijd. Wij leven wel in
de verwachting van de geboorte van het Kerstkind, in wie God zelf mens wordt:
Immanuel, God met ons. Jezus zal hij heten, want Hij is het die zijn volk zal
redden van hun zonden. Daarvoor zal Hij zijn leven geven op Golgota. Hij brengt
ons verzoening, en vrede op aarde. Door Hem te verwachten, hopen wij ook op heil
en zegen voor mensen in deze wereld, vrijheid en vreugde voor wie nu in
duisternis leven. Ja, allemaal waar, of is dit een illusie?
Naast hoopvolle tekenen die deze verwachting staven, zijn er ook negatieve ervaringen die ons doen wanhopen. Als anderen ons vragen: waar is God, die jullie verwachten (vgl Psalm 42), kunnen we daar geen overtuigend antwoord op geven. Integendeel, ook zelf zijn wij genoodzaakt steeds weer opnieuw deze vraag van Johannes te stellen: Bent U het die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten?
Johannes zit in de gevangenis. Met zijn prediking: Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabijgekomen, heeft hij de komst van de Messias verkondigd. Evenals de profeten heeft ook hij de levenswijze van zijn hoorders onder kritiek gesteld. Toen hij ook kritiek uitte op koning Herodes, heeft deze hem gevangen gezet. En vanuit zijn gevangenschap laat hij nu zijn leerlingen aan Jezus vragen: Bent U het die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten?
Waarom stelt hij deze vraag? Om zijn leerlingen op Jezus te wijzen, zodat zij uit diens eigen mond kunnen horen dat Hij de Christus is, zoals hij ook zelf heeft verkondigd? Maar Jezus richt zijn antwoord via diens leerlingen tot Johannes: Ga heen en boodschap Johannes wat je hoort en ziet. Weet hij dan zelf niet zeker of Jezus wel de Christus is? Maar toen hij Jezus doopte, heeft ook hij die stem uit de hemel gehoord: Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb. Is het dan omdat hij twijfelt? Hij zit in de gevangenis, hem wacht de doodstraf. We kunnen ons voorstellen dat hij twijfelt aan wat hij heeft verkondigd, want hij ervaart niets van het heil dat de Christus zou brengen. Nee, niet uit twijfel, want er staat duidelijk: Johannes hoorde in de gevangenis de werken, niet van Jezus, maar van de Christus. Daarom laat hij aan Jezus vragen: Bent U het die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten?
Johannes gelooft dat Jezus de door hem verkondigde Christus is. Hij weet ook, dat hij niet vanzelf of vanuit zichzelf gelooft, maar dat zijn geloof steeds opnieuw gevoed en gesterkt moet worden. Daarom richt hij zijn vraag, via zijn leerlingen, tot Jezus. We moeten niet denken, dat het geloof het antwoord is op onze vragen. Eerder is het zo dat wij vragen mogen, ja moeten stellen, niet uit onwetendheid of twijfel, maar om ons in ons geloof te laten sterken door het antwoord van Jezus. Wij mogen vragen en wel aan Jezus zelf, of Hij de Christus is. Hij alleen is het antwoord op onze vraag: Bent U het die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten? Op deze vraag geeft Jezus antwoord aan Johannes, via diens leerlingen, die Hij in dienst neemt als apostelen om zijn antwoord aan Johannes over te brengen. In hun getuigenis over wat zij horen en zien, is het Jezus zelf die hem antwoord geeft. Ook wij krijgen Jezus' antwoord te horen in het getuigenis dat anderen van Hem geven. In hun getuigenis is het Jezus zelf die ons aanspreekt, onze vraag beantwoordt en ons geloof versterkt.
Opvallend is, dat Jezus niet zegt: Inderdaad, Ik ben het. Nee, de leerlingen van Johannes moeten hem melden wat zij horen en zien. Dat Jezus de Christus is, blijkt in wat Hij doet. Dat wordt duidelijk in wat zijn komst in de wereld uitwerkt aan heil en leven voor mensen: blinden worden ziende, lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd, doven horen, doden worden opgewekt en armen ontvangen het evangelie. In de voorafgaande verhalen in het evangelie naar Matteus kunnen wij horen, dat Jezus dit alles doet ten teken dat Gods Koninkrijk doorbreekt in de wereld. Tegelijk wordt duidelijk dat nu, in wat Jezus doet, in vervulling gaat wat de profeten van oudsher hebben verkondigd over de komst van Gods Gezalfde. Het antwoord van Jezus is wat Hij doet: Hij is het die komen zou, wij hebben geen ander te verwachten.
Alleen, wat wij vanochtend in de profetie van Jesaja hoorden, dat Gods Gezalfde ook vrijlating brengt voor gevangenen en opening der gevangenis voor gebondenen, dat krijgt Johannes niet te horen. In plaats daarvan zegt Jezus: zalig is wie aan Mij geen aanstoot neemt. Daar moet Johannes het mee doen. Het klinkt hard, als een verwijt aan Johannes, alsof die geen aanstoot mag nemen aan het feit, dat de komst van Jezus' blijkbaar wel heil en leven betekent voor anderen, maar niet voor hem, die de komst van de Christus verkondigd heeft. Toch denk ik dat Jezus het niet als verwijt of kritiek bedoelt, maar als bemoediging. Want meteen daarna spreekt Hij zeer waarderend over Johannes.
Tegenover de scharen neemt Jezus het op voor Johannes. Hoe hebben zij hem gezien in de woestijn, als een riet door de wind bewogen? Heeft zijn oproep tot bekering en boete slechts een oppervlakkige rimpeling van onrust in hun leven gebracht, even een schrik om die weer snel te vergeten? Dan hebben zij van zijn prediking niets begrepen. Zij hebben hem toch niet bewonderd om zijn weelderige kleding, alsof hij als succesvol societyfiguur wat roering heeft gebracht in het saaie hofleven? Dan zou Herodes hem niet de mond hebben gesnoerd door hem gevangen te zetten. Hoe hebben zij hem dan gezien, als een profeet? Ja, meer dan een profeet is hij, de bode, de wegbereider van de Christus, van wie de profeten al gesproken hebben.
Johannes is daarom de grootste onder de mensenkinderen. Jezus voegt er meteen aan toe: de kleinste in het Koninkrijk der hemelen is groter dan hij. Maar dat is geen tegenstelling. De grootheid van Johannes is dat hij opriep tot boete en bekering, juist ter wille van de kleinen, al die slachtoffers die in deze wereld geen leven hebben. Bekeert u, want het Koninkrijk is nabijgekomen! God komt in zijn Gezalfde met zijn koninklijke heerschappij en zijn gerechtigheid in deze wereld om het onrecht te oordelen, het recht te herstellen, en gebeukten en gebukten op te richten. Daarom riep Johannes de mensen op tot een andere levensstijl, niet gericht op eigen welzijn en geluk, maar op dat van al die kleinen en ongelukkigen in onze wereld, die God in zijn ontferming op het oog heeft en voor wie Hij het opneemt door zijn Messias te zenden. Dat is de grootheid van Johannes, dat hij deze kleinen in Gods Koninkrijk voor laat gaan.
Vandaar uit begrijpen we wat Jezus bedoelt met die laatste zin in zijn antwoord aan Johannes: Zalig is wie aan Mij geen aanstoot neemt. Zalig wie zich er niet aan ergert, dat Jezus gekomen is om blinden en lammen, melaatsen en doven, gestorvenen en armen en al die andere ongelukkigen tot leven te wekken. Zalig wie zich daarover verheugt, ook al geeft het eigen lot weinig reden tot vreugde. Johannes gelooft dat Jezus de Christus is, omdat hij op gezag van Jezus hoort en ziet dat anderen van de knellende banden van nood en schuld bevrijd worden tot leven, ook al zit hij zelf gevangen. Hij weet dat hem dat lot treft, juist omdat hij Gods Koninkrijk heeft gepredikt en kritiek heeft geuit op wie het voor het zeggen hebben in deze wereld. Ook daarin is hij de wegbereider van de Christus, die straks zelf als misdadiger gekruisigd zal worden om onze misdaden ongedaan te maken en ons te bevrijden tot het leven in vreugde en vrede.
Bent U het die komen zou, of
hebben wij een ander te verwachten? Op die vraag vinden wij het antwoord niet in
onze eigen ervaring. Alleen wie van Jezus zelf in het getuigenis van profeten en
apostelen hoort en ziet, dat Hij de Christus is en dat in Hem God zelf komt om
licht en leven te brengen voor allen die in duisternis verkeren, zal zich
verheugen en nu ook zelf van dit evangelie van Gods Koninkrijk metterdaad gaan
getuigen ter wille van allen die hier en nu geen leven hebben. Zalig wie aan Mij
geen aanstoot neemt. Als we ons dat laten gezeggen, mogen we ook zelf ervaren,
hoe we er ook aan toe zijn, in angst, nood, schuld of verdriet, dat in Christus
Gods Koninkrijk begonnen is. Hij is het die komen zou, wij hebben geen ander te
verwachten.
Amen.